Nieuwsbrief

Verwarring over ‘welke rit is woon-werkverkeer?’ door verschillende definities

Woon-werkverkeer lijkt een bekend begrip binnen de loonheffingen, maar vanaf 2027 kan er discussie ontbranden over de vraag welke ritten daar precies onder vallen. De concept-Eindejaarsregeling 2026 introduceert voor de pseudo-eindheffing op fossiele personenauto’s namelijk een eigen definitie. De vaste werkplek staat daarbij centraal.

Als gevolg hiervan kan dezelfde rit voor de ene loonheffingsregeling wél kwalificeren als woon-werkverkeer en voor de andere niet. Dat vraagt om extra aandacht in de administratie. De tekst van de concept-regeling kan nog wijzigen, maar voorbereiding blijft nodig. Voor de bestaande loonbelastingregels is woon-werkverkeer het binnen 24 uur heen én terug reizen tussen de woning of verblijfplaats en de arbeidsplaats(en). Voor de pseudo-eindheffing geldt een andere afbakening; daar gaat het om reizen tussen de woon- of verblijfplaats en een vaste werkplek.

Vaste werkplek
Als vaste werkplek geldt een vestiging van de werkgever, een aangewezen plek of een locatie waar de werknemer minstens 40 dagen per jaar werkt. Een werknemer kan meerdere vaste werkplekken hebben. Een voorbeeld: een werknemer rijdt in zijn fossiele auto van huis naar een vaste werkplek en keert pas twee dagen later terug. Voor de autobijtelling is dit geen woon-werkverkeer, omdat de heen- en terugreis niet binnen 24 uur plaatsvinden. De ritten gelden daar als zakelijk. Voor de pseudo-eindheffing kunnen beide reizen woon-werkverkeer zijn. Daar tellen zij als privégebruik, waardoor de eindheffing verschuldigd wordt. Zo ontstaat een verschillende fiscale uitwerking.

Let op: de tekst van deze conceptregeling kan nog wijzigen – en hopelijk gebeurt dat ook. Het consultatiecommentaar waarschuwt voor onduidelijkheid en extra administratie door verschillende definities binnen één wet.

SAMENWERKEN LOONT.

Hoe waarborgt u simpel de continuïteit, maand na maand?

Ideaal
Even snel laten uitrekenen wat die nieuwe medewerker gaat kosten.